Inclusief onderwijs:

een mensenrecht

 

Inclusief onderwijs is onderwijs waarin kinderen vanuit allerlei achtergronden en met én zonder beperkingen samen spelen, werken en leren. Op een toegankelijke school in hun eigen omgeving, die hun ouders hebben uitgekozen, dezelfde school waar ze heen zouden gaan als ze geen handicap hadden. Inclusief onderwijs lijkt een beetje op het huidige reguliere of passende onderwijs, maar dan open voor iedereen, toegankelijk in alle aspecten en dus met de nodige ondersteuning en zorg waar die nodig is voor optimale ontwikkeling. (bron; www.in1school.nl) 

 

“Regulier onderwijs biedt grote voordelen. Leerlingen met Downsyndroom leren over het algemeen in het regulier onderwijs veel meer op het gebied van schoolse vaardigheden dan in het speciaal onderwijs. Zo is van de leerlingen met een overwegend reguliere schoolloopbaan (vijf jaar of langer op een reguliere basisschool) tegen het einde van de basisschool periode 87 procent minstens in staat tot het lezen van korte verhalen en leest 55 procent voor zijn of haar plezier boeken met langere verhalen. Voor leerlingen met een overwegend speciale schoolloopbaan liggen deze percentages veel lager, op 39 en 11 procent.

In de praktijk start meer dan de helft van de kinderen met Downsyndroom in Nederland op een reguliere school en meer dan de helft daarvan verblijft minstens vijf jaar in het regulier onderwijs. Kinderen die minder leerbaar zijn (of als zodanig worden gezien), kinderen die meer moeite hebben met zelfstandig werken, ongezeglijker zijn, minder goed duidelijk kunnen maken wat zij bedoelen en moeilijker verstaanbaar zijn, lopen meer kans om ‘vast te lopen’ op een reguliere school. Dergelijke kind kenmerken maken de draaglast voor een school groter. Maar de draagkracht van scholen verschilt ook zeer. Sommige reguliere scholen blijken goed onderwijs te kunnen bieden aan een relatief bewerkelijke leerling met Downsyndroom, terwijl er ook reguliere scholen ‘afhaken’ met feitelijk een relatief goed functionerende leerling. Uit de enquêtes komt naar voren dat integratie meer kans van slagen heeft als de leerkrachten voldoende vertrouwen hebben in de leermogelijkheden van het kind, de directeur en het team achter de integratie staan, de school open is voor zorg leerlingen in het algemeen en de leerkrachten in het onderwijs rekening houden met verschillen tussen leerlingen.” (bron: Down&up 80)

"See the able, not the label" 

Inclusief onderwijs zet zich niet af tegen speciaal onderwijs.
Wel willen we af van het idee dat kinderen naar speciaal onderwijs gebracht moeten worden. Laat speciaal onderwijs naar de kinderen komen op de gewone school in de eigen buurt. Dat is de plek waar kinderen samenkomen, samen opgroeien en vriendschappen ontwikkelen en waar iedereen gebruik kan maken van de extra inzichten en middelen van het speciaal onderwijs.

In het buitenland (Verenigde Staten, Italie, Scandinavische landen) bestaat al veel langer een traditie van Inclusief Onderwijs. Wetenschappelijk onderzoek daar laat zien dat het onderwijssysteem kwalitatief beter werd en dat alle leerlingen, gehandicapt of niet, ervan profiteren. Veel deskundigen: onderwijskundigen, onderzoekers en hulpverleners in Nederland bepleiten daarom al jaren een beleidsverandering op dit terrein.

De Nederlandse regering wil dat de strikte scheiding tussen speciaal en gewoon onderwijs wordt opgeheven en dat gehandicapte leerlingen kunnen kiezen voor ondersteuning op de gewone school. De vraag is echter hoe ver wil men gaan en wanneer we het echt gaan merken.

Nederland heeft een ijzersterke traditie van speciale voorzieningen. De kwaliteit van de meer dan 10 verschillende vormen van speciaal onderwijs wordt hoog aangeslagen. Nog nooit is aangetoond dat speciaal onderwijs betere leerresultaten oplevert voor de gehandicapte leerlingen. Ook het maatschappelijk nadelig effect van een opvoeding in het speciale circuit (stigmavorming en uitsluiting) blijft in Nederland onderbelicht.

Daarnaast is er een groeiende groep kinderen die helemaal buitengesloten wordt van enige vorm van onderwijs: hun handicap is zo complex, of niet passend in een bestaande categorie, dat geen onderwijs wordt gegeven en ouders het zelf mogen doen. Meestal betekent dit de uitsluiting van een kind uit het maatschappelijk leven, opvang in een zorgvoorziening en mogelijk later plaatsing in een instituut. Leerplicht telt dan kennelijk niet meer. Van een leerrecht is (nog) geen sprake in Nederland.

De zorgsector merkt dat volwassen gehandicapten intensiever getraind zouden moeten worden in taal en spraakontwikkeling, sociale vaardigheden en fysieke oefening. Met veel moeite wordt die training verzorgd. Dagelijks oefenen op een natuurlijke manier is nauwelijks mogelijk, omdat gehandicapten in instellingen met andere gehandicapten wonen of werken die ook al zoveel moeite hebben in die vaardigheden.
Als een gehandicapte aansluiting vindt in de reguliere samenleving, verbaast ieder zich vaak over de snelle positive ontwikkeling die de gehandicapte doormaakt. Vaak wordt dan gehoord: "waren we hier maar eerder mee begonnen".
De Stichting Inclusief Onderwijs wil eerder beginnen: namelijk op de reguliere school.

(bron: www.inclusiefonderwijs.nl) 

Grip: samen naar school in Vlaanderen 

Onderzoek naar inclusief onderwijs

De Graaf is pedagoog, onderzoeker en medewerker op het gebied van opvoeding en onderwijs bij de Stichting Downsyndroom en doet al 20 jaar onderzoek naar inclusief onderwijs aan kinderen met Downsyndroom. In maart 2014 promoveerde hij op dit onderwerp aan de Universiteit van Gent. Zijn belangrijkste conclusie: kinderen met Downsyndroom zijn in het regulier onderwijs vaak beter af dan in het speciaal onderwijs. Om tot deze conclusie te komen, onderzocht De Graaf de sociale effecten, effecten op de ontwikkeling en effecten op klasgenoten.

Licht effect op sociale aspecten

Op veel sociale aspecten, zoals aantal interacties, sociale rijpheid en gedragsproblematiek, bleek uit het onderzoek een neutraal of licht positief effect. “Het bleek dat regulier geplaatste leerlingen ten opzichte van leerlingen in het speciaal onderwijs vaker thuis met vriendjes spelen en even vaak wederzijdse vriendschappen hebben. Daarnaast worden zij volgens hun ouders en volgens de leerkrachten goed geaccepteerd.” De Graaf signaleerde wel dat leerlingen in het regulier onderwijs minder de kans krijgen om vriendjes te worden met andere kinderen met een beperking. “Klasgenoten noemen kinderen met het Downsyndroom vergeleken met andere kinderen tegen het einde van de basisschoolperiode minder vaak als ‘beste vriend’.” Daarom raadt hij ouders aan om te zorgen dat hun kind ook contact heeft met andere kinderen met een beperking.

Betere spraakontwikkeling en schoolse vaardigheden

Onderzoeken uit verschillende landen wijzen uit dat leerlingen met Downsyndroom zich gemiddeld beter ontwikkelen in het regulier onderwijs dan in het speciaal onderwijs, met name wat betreft spraakontwikkeling en schoolse vaardigheden. Dit geldt ook als gecorrigeerd wordt voor verschillen tussen regulier en speciaal geplaatste leerlingen met Downsyndroom wat betreft achtergrondvariabelen, zoals IQ en zelfredzaamheid van de kinderen zelf en opleidingsniveau van hun ouders. Ook concludeerde De Graaf dat reguliere plaatsing van leerlingen met Downsyndroom geen negatieve effecten heeft op andere leerlingen in de klas. “De effecten zijn juist eerder positief, zoals meer pro-sociaal gedrag, meer morele ontwikkeling, en betere acceptatie van mensen met beperkingen en andere minderheden.”

Profijt van regulier onderwijs

Meer dan de helft van de leerlingen met Downsyndroom start op een reguliere school. Van deze leerlingen wordt zo’n 60% tijdens de basisschooljaren doorverwezen naar speciaal onderwijs. “Maar dat wil niet zeggen dat ze geen profijt hebben gehad van die jaren in het regulier onderwijs”, zegt De Graaf. “Kinderen die tot een jaar of 9 naar de reguliere school zijn gegaan, zijn veel verder in lezen, schrijven en rekenen dan kinderen die niet of veel korter op een gewone school hebben gezeten.” Belangrijke succesfactoren zijn volgens De Graaf dat de school niet alleen van de beperking van een leerling uitgaat én dat de samenwerking met ouders goed is. “Scholen die er samen met de ouders echt voor gaan kunnen het redden met zeer bewerkelijke kinderen.”

Geen speciale klassen

Wat betekenen deze resultaten nu voor passend onderwijs? “Tijdens de eerste jaren van passend onderwijs is het vooral belangrijk om de effecten op leerlingen met Downsyndroom goed te monitoren”, vindt De Graaf. “Blijven de mogelijkheden voor reguliere plaatsing zoals die er nu zijn voor deze leerlingen in stand? Ontstaan er in dit opzicht grote regionale verschillen?” Daarnaast raadt hij samenwerkingsverbanden af om allemaal speciale klassen in te richten als de standaardoplossing voor leerlingen met een beperking. “Je gooit dan de mogelijkheid op inclusie in de gewone klas weg, terwijl dit voor veel leerlingen met Downsyndroom juist heel goed werkt.”

Voor meer informatie over het onderzoek kunt u contact opnemen met Gert de Graaf via gertdegraaf@downsyndroom.nl.

(bron: www.passendonderwijs.nl)

[wp_links_page category="gr"]